Een leven zomaar weggerukt.
Een leven lang opgejut en verjaagd
Zonder liefde, zonder pracht en praal.
Moederziel alleen, zonder toeverlaat, zonder steun.
Bloedend binnenin, buitenkant neutraal.
Af en toe als iemands uitlaatklep ‘een dreun’.
Haar ogen daarentegen spreken boekdelen.
Zo graag willend en hopend op één enkele aanraking, iemand die haar zou strelen.
Niemand neemt deze taak op zich
Zo verwaarloost en vies
Ocharme voor een meisje
Nog zo jong,
Achtergelaten en beschouwd als stom
Volop in achterstand, scheef bekeken
In zichzelf gekeerd, als een soort onderpand
Leven net begonnen, en toch al op z’n eind
Moe van deze mensen ,al die streken,
zoals haar eigen gebreken.
Hopend en wachtend op deze laatste dag, het einde van haar leven
Eens aangebroken, probeert ze toch het beste van zichzelf te geven.