Vader
Willem is al het besef van tijd kwijt en besluit nog een laatste wandeling te maken,
om voor het slapen gaan zijn hoofd leeg te krijgen.
Daar loopt hij door flikering van het licht van de lataarnpalen,
de duisternis tegemoet.
Plots hoort hij luidruchtige geluiden rechts van hem.
Hij stapt erop af en beseft dat er rond dit tijdstip nog mensen bij elkaar komen.
Het liefst zou hij naar binnen stappen
en zich vol laten gooien met alcoholische versnaperingen,
om zich vervolgens op te dringen aan de eerste de beste vrouw,
en haar helemaal kapot te neuken.
Op dat moment beseft hij dat de burgelijkheid,
waar zijn hele leven al een verachting voor heeft gehad,
in zijn eigen leven heeft toegeslagen.
Hij is one of them geworden, zoals hij dat vroeger beschreef.
Hij is niet langer uniek voor zijn perspectief;
hij is diegene die op vrijdag 6 uur met zijn vrouw en kinderen aan tafel schuift om de dag door te nemen.
Dit pijnlijke besef welde af en toe op,
als hij dacht aan zijn vroegere leven.
Waarin hij totaal geen binding tot iemand had,
maar zijn eigen leven vormgaf.
Nu heeft hij echter 2 kinderen en een vrouw,
waaraan hij zich moet geven.
Een beklemmend gevoel dat steeds vaker bij Willem komt opspelen.
De eerste keer dat hij met dit gevoel geconfronteerd werd,
was op het moment dat zijn eerste kind ter aarde stortte.
Hij vergeleek de emoties die toen samenvielen
met zijn huidige situatie in het leven.
Het kind dat onbezonnen en nietsvermoedend ter aarde komt,
is puur en heeft die verbondenheid nog niet.
Echter al na een aantal uren,
zal het zich aan de moeder gaan hechten
en zal er verbondenheid ontstaan.
Dit was precies het gevoel dat Willem tijdens de geboorte probeerde te beperken.
Het geluk en schoonste vorm van natuur werd geboren.
Maar deze gebeurtenis bracht wel met zich mee dat Willem zijn vrijheid opgaf.
Hij was niet langer degene die impulsief kon handelen en carpe diem kon leven:
Hij was een vader.