Ochtend, 05.15 uur
Straks gaan de vogels zachtjes zingen
wanneer het licht de dampkring raakt,
de nacht die langzaamaan ontwaakt
en 't daglicht weer laat binnendringen.
Dan zit ik roerloos, spits mijn oren
en zoek de vroege schemer af
of hij soms al een teken gaf,
een vogel in het ochtendgloren.
'n Eerste klank aan hem ontsproten
vanuit de fluister van een boom
voert mij terug tot aan de droom
waar ik bekend was met zijn noten.
En heel goed nog kon ik verstaan
wat hij me aangaf voor de dag,
dat ik de schoonheid ervan zag
en zong en zong in mijn bestaan.
Oh, alle dagen weer te zitten
zo op een tak met zulk een lied,
met vreugde en iets anders niet
en meer dan dat niet te bezitten.