Waarvoor ?
Wat is het toch, die frictie in mijn ik
die botsing tussen voelen en bedenken,
de onrust die me zelden rust wil schenken,
zó hevig vaak, dat ik er haast in stik ?
Hoe komt het toch, dat twijfel steeds weer knaagt
waardoor ik in een eenzame verander,
mijn ziel, zich distanciërend van “de ander”
moet antwoorden op wat zij me steeds vraagt ?
Waar dient het toe, dat zoeken van mijn geest,
terwijl ik mijn tijd maar één keer kan benutten
en troost uit alles om me heen kan putten,
náást ‘t besef er niet voor niets te zijn geweest ?